Doneer aan TPO
 

Interview: hoogleraar Keimpe Algra over de status van de wetenschap

'Er zijn na Diederik Stapel absoluut alarmbellen gaan rinkelen'

Door: , 12:38, 19 juni 2013

'Er zijn na Diederik Stapel absoluut alarmbellen gaan rinkelen'

Pas op dat de druk op de ketel niet te hoog wordt, zo kun je het rapport Vertrouwen in wetenschap samenvatten. Naar aanleiding van de affaire-Stapel onderzochten leden van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW) alle factoren die de integriteit en onafhankelijkheid van de wetenschap bedreigen. Hun antwoord aan de politiek: zorg voor bewustzijn bij de bollebozen, bijvoorbeeld met een eed, en kijk ook eens goed naar de wijze waarop de financiering is geregeld. De Nieuwe Pers sprak in Utrecht met commissievoorzitter Keimpe Algra.

U en uw commissieleden stellen dat wetenschap nog steeds een A-merk is en meer vertrouwen geniet dan bijvoorbeeld politiek en media. Maar zijn jullie zelf anders tegen wetenschap gaan aankijken door de affaires van de laatste tijd?

Er zijn absoluut alarmbellen gaan rinkelen, ik denk dat dit voor de meesten van ons geldt. Dat zie je niet alleen aan de concrete follow-up, zoals een drietal rapporten van de KNAW naar aanleiding van de affaire-Stapel, maar ook dat de beroepsgroep van sociaal-psychologen nu een antwoord probeert te vinden hoe dit soort affaires – want het is niet de enige – voorkomen kunnen worden. Mensen zijn geschrokken.

Tot bij de koffieautomaat aan toe?

Het hangt een beetje van het wetenschapsgebied af, maar zeker in de biomedische wetenschappen en de sociale psychologie is het een belangrijk onderwerp van gesprek. Maar er is al langer sprake van een groeiende belangstelling voor integriteitsaspecten van de wetenschapsbeoefening. Zo heeft de decaan van geneeskunde hier in Utrecht, Frank Miedema, een cursus laten ontwikkelen voor promovendi: That thing called science. Dat draait om wat we science studiesnoemen. Hierin leer je enerzijds wat de normatieve aspecten van wetenschapsbeoefening zijn, dus wetenschapsfilosofie en ethiek. En anderzijds wat de realiteit van het vak is, ofwel de wetenschapssociologie, zoals de druk waaronder men werkt. Het gaat erom hoe die twee, theorie en praktijk, kunnen schuren.

Zou zo’n vak ook al in de master-fase gedoceerd moeten worden?

Ja. Verder is het ook erg van belang dat universiteiten zorgen voor, zeker waar men met experimenten werkt, goede protocollen met de nodige checks and balances. Dat is de institutionele kant. Daarnaast is er de personele kant: zorg dat de gedragscode van de VSNU (de vereniging van universiteiten, red.) ook écht ingedaald is, dat mensen die kennen en dat die in het onderwijs voor promovendi een rol speelt – zowel de regels uit de gedragscode als de dilemma’s die erin beschreven staan.

Jullie wijzen ook op de (kwalijke) rol die de geldstromen spelen.

Ik vind het heel belangrijk dat de financiers oog hebben voor ruimte voor peer review en peer pressure. De druk moet er maar eens een beetje vanaf dat onderzoek altijd vernieuwend, vernieuwend en nog een keer vernieuwend moet zijn. Zorg dat er ook ruimte en tijd is om nog eens goed te kijken naar eerder onderzoek en om experimenten over te doen. Als je altijd de nadruk legt op vernieuwing en originaliteit, dan gaat dat niet werken.

Dat is lastig, want met herhaling van eerder onderzoek scoor je geen citaties. Moet de beoordeling van kwaliteit dan niet fundamenteel anders?

Zover zijn we niet gegaan. Wij hebben de diagnose gesteld, en nu is het aan universiteiten, overheid en NWO (Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, red.) om een antwoord te geven. Als je het mij persoonlijk vraagt, kunnen we beter vandaag dan morgen stoppen met met die nadruk op citatie-analyse en bibliometrie. Ik was zelf voorzitter van een KNAW-commissie die in 2011 wees op de grote beperkingen van bibliometrische indicatoren voor kwaliteitsbeoordelingen in de geesteswetenschappen, maar eigenlijk ook daarbuiten.

Ligt er ook niet te veel nadruk op het nut van onderzoek, de zogeheten valorisatie?

Het is niet reëel om dat helemaal kwijt te willen, en dat hoeft ook niet. In zekere zin komt dat het vertrouwen in wetenschap juist ten goede, dat onderzoek een zeker nut heeft, maar het gaat om maatvoering. De drang naar valorisatie mag niet zo sterk worden dat onafhankelijk of niet-toegepast onderzoek geen plaats meer heeft, en dat mensen denken dat wetenschappers alleen maar hun opdrachtgevers achterna hobbelen.

Hoe erg is het eigenlijk gesteld met die onafhankelijkheid? Is het 5 voor 12, zoals NRC Handelsblad suggereerde?

Nee, ik denk niet dat het een zeer acuut of zeer groot probleem is. De teneur van het rapport is dat er op dit moment geen reden tot paniek is, maar dat er wel een aantal gevaren zijn die geneutraliseerd moeten worden. Er is echter geen reden om aan te namen dat zaken à la Stapel heel vaak voorkomen.

Toch is het vaak mistig. Toen ik eens voor De Pers uitzocht hoe het zit met bijklussende hoogleraren, bleek dat slecht bijgehouden te worden. Is dat verbeterd?

Ik weet dat een aantal universiteiten daar mee bezig is. De Universiteit Utrecht, waar ik werk, wil transparantie, doordat iedereen in een universitair register aangeeft wat de bijbanen en nevenfuncties zijn. Ons rapport pleit daar eveneens voor, maar óók dat er transparantie moet komen over wat je met onderzoek verdient. Daar heeft het in het verleden wel eens aan ontbroken. Overigens moet je dat soort regels intern ook duidelijk communiceren. Te vaak gebeurt het op de universiteit dat mensen bijvoorbeeld niet eens weten dát er een register is.

Het verwachtingspatroon bij het publiek ligt ook hoog omdat er nogal wat juich-berichten de wereld worden ingestuurd.

Gek genoeg bleek dat een algemeen gevoelen te zijn, zowel bij wetenschapsjournalisten als bij de universiteiten zélf, dat wetenschapscommunicatie te veel in de hoek van de peptalk is gekomen. Dat heeft ook te maken met de onderlinge rivaliteit van de universiteiten: “Hoe hoog staan wij op Shanghai?” (internationale ranglijst, red.). Dus probeert iedereen om zichzelf zo gunstig mogelijk voor te doen, terwijl voor het publieke imago een evenwichtiger beeld juist veel beter zou zijn. Als mensen wetenschap enkel en alleen zien als een succes story, dan wordt het des te teleurstellender als dingen niet lukken, zo van “hebben ze nou nog steeds niks tegen kanker..!?”.

En al die hyperige journalisten helpen dan ook niet mee…

Nou, we zijn heel positief over de media. Nederland heeft over het algemeen, zeker bij de grote kranten – NRC, Volkskrant en Trouw – goede wetenschapsjournalisten die evenwichtig schrijven. Dat is een groot verschil met Amerika, waar de wetenschapsjournalistiek, ja überhaupt het hele debat, sterk gepolitiseerd is. Volgens de Republikeinen is er geen klimaatverandering, volgens de Democraten wel. En in Amerika besteedt de wetenschapsjournalistiek relatief veel aandacht aan mavericks en malle, alternatieve theorieën als het creationisme – alsof de evolutieleer ook maar een mening is. Dat zie je hier in Nederland toch niet.

Zou de publieke omroep niet een stevig wetenschapsprogramma moeten (blijven) maken?

Publieke aandacht voor wetenschap is op zich natuurlijk altijd goed. De vraag is wel wie je ermee bereikt. Ik vermoed dat dat hetzelfde publiek is dat nu al de kwaliteitskranten leest. Wat ik persoonlijk interessanter zou vinden is hoe je juist het ongeïnformeerde publiek bereikt, zodat die een beter beeld hebben van de successen én beperkingen. Daar heb ik het met een aantal mensen over gehad, bijvoorbeeld dat de KNAW eens met RTL gaat praten over een programma. Maar die suggestie heeft ons rapport uiteindelijk niet gehaald.

Iets anders. Jullie pleiten voor meer academici voor de klas, die een reëel beeld van de wetenschap kunnen overbrengen. Dat wordt al jaren geroepen, maar schiet niet erg op…

Ik denk dat er op het ministerie best sympathie is, maar het is in de praktijk lastig. Je hebt in sommige vakken te maken met een lerarentekort, waardoor je onbevoegde docenten voor de klas krijgt. En veel studenten aan de universiteit hebben geen zin om voor de klas te staan, dus je zult het vak ook aantrekkelijker moeten maken – en goed betaald. Daar is het kabinet gevoelig voor, bij de bezuinigingen worden de leraren tot nu toe ontzien. Ik denk dat het heel belangrijk is dat docenten, ook al hebben ze zelf geen onderzoek gedaan, in ieder geval weten hoe dat werkt en dus zelf gestudeerd hebben aan een universiteit.

Vanuit de kenniseconomie bekeken is dat toch een no brainer?

Tja, geld hè…. Iedereen ziet hoe het met de economie gaat, er zijn zoveel claims op dat budget. Vanuit sommige perspectieven is dit een luxeprobleem, zou je kunnen zeggen.

Ben u nog verrast tijdens het maken van dit rapport?

Wat mij opviel is de integriteitscode van grote bedrijven, zoals bijvoorbeeld DSM. Mensen denken soms dat als érgens gesjoemeld wordt, dan in het bedrijfsleven, vanwege het winstoogmerk. Maar ze hebben het aspect van integriteit – door de hele productieketen heen – bij DSM juist heel goed geregeld. Ik weet natuurlijk niet of ze daar in de praktijk consequent aan vasthouden, maar ik was er van onder de indruk.

Misschien wel omdat het desastreus zou zijn voor het bedrijf als het misgaat.

Dat denk ik ook. Je bent geneigd om te zeggen dat economische belangen altijd aan het andere eind van het touw trekken, maar als mensen goed nadenken over wat uiteindelijk in hun belang is, komen ze met prima regelingen.

Terug naar de academie. De druk is hoog, mede omdat er veel wordt gewerkt met tijdelijke contracten en omdat je moét publiceren. Is er geen totale cultuuromslag nodig?

Op zichzelf is er niet veel mis met die prestatiecultuur, vind ik. Ook hier geldt: het is een kwestie van maatvoering. Je wilt niet dat mensen niét ambitieus zijn, tot op zekere hoogte hoort concurrentie en druk bij de wetenschap, net zoals dat bij sport hoort. Je gaat natuurlijk ook niet zeggen: omdat er doping is gebruikt in de Tour de France, hoeven de renners voortaan niet meer hard te fietsen. (lacht) Dan is het hele idee weg. Dat geldt ook voor de wetenschap. Je moet zorgen dat je én prestatiedrang hebt én voldoende checks and balances.

Keimpe Algra (54) is hoogleraar Antieke en Middeleeuwse Wijsbegeerte aan de Universiteit Utrecht en was tot 1 juni van dit jaar vice-decaan van de faculteit der Geesteswetenschappen. Hij is lid van de KNAW sinds 2004. Ook is hij gastdocent geweest aan Yale University en (co-)auteur van de Cambridge History of Hellenistic Philosophy.

Neem een abonnement op Peter Wierenga.

 
 
   

Advertentie

 
 
 
Toon / Verberg Reacties  
 
 
 
 
 
 

 

(Be)Spaarvarken

Vergelijk en steun direct TPO! Voor iedere aankoop krijgt TPO een vergoeding.

 

  True managed webspace